Vertaling van week ,
Voorbeelden in zinsverband
It may freeze next week.
Volgende week gaat het misschien vriezen.
The rain lasted a week.
Het regende een week lang.
He took a week off.
Hij heeft een week vrij genomen.
I swim once a week.
Ik zwem één keer per week.
I'll visit my uncle next week.
Ik zal volgende week mijn oom bezoeken.
Our topic of the week is: _____.
Ons thema van de week is: _____.
I worked a lot this week.
Ik heb veel gewerkt deze week.
He writes to me once a week.
Hij schrijft mij eens per week.
The peace talks begin this week.
De vredesonderhandelingen beginnen deze week.
It kept raining for a week.
Het bleef een week regenen.
I took that photo a week ago.
Deze foto heb ik vorige week gemaakt.
I will call you within a week.
Ik bel je binnen een week.
She is going to France next week.
Zij gaat volgende week naar Frankrijk.
He won the prize last week.
Hij won vorige week de prijs.
I saw my grandfather last week.
Ik zag mijn opa vorige week.