Vertaling van Cáncer

Inhoud:

Spaans
Nederlands
Cáncer {eigenn.}
Kreeft
cáncer [m] (el ~) {zn.}
kanker 
Ella murió de cáncer.
Ze stierf aan kanker.
El hombre murió de cáncer.
De man stierf aan kanker.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Mi tío murió ayer de cáncer estomacal.

Mijn oom is gisteren overleden aan maagkanker.

Mi padre murió de cáncer de pulmón.

Mijn vader stierf aan longkanker.

El cáncer puede ser curado si es descubierto a tiempo.

Kanker kan genezen worden als het bijtijds ontdekt wordt.


Gerelateerd aan Cáncer

cáncer