Vertaling van a tiempo

Inhoud:

Spaans
Nederlands
a tiempo {bw.}
bijtijds 
op tijd
tijdig 

Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Viniste justo a tiempo.

Je komt precies op tijd.

Siempre llega a tiempo.

Hij is altijd op tijd.

Él no vino a tiempo.

Hij kwam niet op tijd.

Él corrió para llegar a tiempo.

Hij rende opdat hij op tijd zou zijn.

El tren llegó a Kioto a tiempo.

De trein kwam op tijd aan in Kyoto.

El tren llegó a Kioto a tiempo.

De trein kwam op tijd aan in Kyoto.

Con suerte, él llegó a tiempo para tomar el tren.

Hij had geluk en was op tijd voor de trein.

Nuestro profesor de inglés siempre llega a tiempo.

Onze leraar Engels is altijd op tijd.

Trataré de venir a tiempo en el futuro.

In het vervolg zal ik proberen op tijd te komen.

El cáncer puede ser curado si es descubierto a tiempo.

Kanker kan genezen worden als het bijtijds ontdekt wordt.

No llegué a tiempo al colegio esta mañana.

Ik was deze morgen niet op tijd op school.

Nosotros tomamos un taxi para llegar a tiempo.

We namen een taxi om er op tijd te geraken.

A veces no llega el tren a tiempo.

Soms komt de trein niet op tijd.

En el campo, los buses comúnmente no llegan a tiempo.

Bussen in het land komen gewoonlijk niet op tijd.