Vertaling van aprender
aanleren
Voorbeelden in zinsverband
Vivir y aprender.
Leef en leer.
Quiero aprender francés.
Ik wil graag Frans leren.
Tenemos mucho que aprender.
We hebben nog veel te leren.
Debes aprender de tus errores.
Ge moet leren uit uw fouten.
Aprender lenguas extranjeras es difícil.
Het is moeilijk om een vreemde taal te leren.
Tom tiene mucho que aprender.
Tom heeft nog veel te leren.
Aprender un idioma extranjero es divertido.
Het is leuk om een vreemde taal te leren.
Nunca es demasiado tarde para aprender.
Het is nooit te laat om te leren.
Nunca se es demasiado viejo para aprender.
Niemand is te oud om te leren.
Aprender un idioma extranjero es divertido.
Het is leuk om een vreemde taal te leren.
Debes aprender inglés te guste o no.
Ge moet Engels leren, of ge wilt of niet.
No me gusta aprender los verbos irregulares.
Ik hou niet van onregelmatige werkwoorden leren.
Él quiere aprender algunas canciones inglesas.
Hij wil graag wat Engelse liedjes leren.
Es fácil aprender un idioma extranjero.
Een vreemde taal leren is makkelijk.
A los extranjeros les cuesta aprender japonés.
Het is moeilijk voor buitenlanders om Japans te leren.