Vertaling van avión

Inhoud:

Spaans
Nederlands
avión [m] (el ~) {zn.}
vliegtuig 
toestel
vliegmachine [v]
Vi un avión.
Ik zag een vliegtuig.
Vi un avión.
Ik zag een vliegtuig.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Vi un avión.

Ik zag een vliegtuig.

Nuestro avión sobrevolaba las nubes.

Ons vliegtuig vloog boven de wolken.

Él sobrevivió al accidente de avión.

Hij heeft een vliegtuigongeval overleefd.

Preguntadle cuándo sale el próximo avión.

Vraag hem wanneer het volgende vliegtuig gaat.

Nuestro avión va viajando al sur.

Ons vliegtuig vliegt naar het zuiden.

Ella lloró de alegría al oír que su hijo había sobrevivido al accidente de avión.

Ze huilde van blijdschap toen ze hoorde dat haar zoon de vliegtuigcrash had overleefd.