Vertaling van conducir
Inhoud:
Spaans
Nederlands
¿Te dejó tu tío conducir el coche?
Heeft uw oom u zijn auto laten besturen?
conducir, dirigir {ww.}
rijden
vervoeren
chaufferen
vervoeren
chaufferen
Mi hermano mayor sabe conducir.
Mijn grote broer kan rijden.
Conducir ebrio es un problema serio.
Dronken rijden is een serieus probleem.
Voorbeelden in zinsverband
Spaans
Nederlands
Mi papá solía conducir un Escarabajo.
Vroeger reed mijn vader een Kever.
¿Te dejó tu tío conducir el coche?
Heeft uw oom u zijn auto laten besturen?
Mi hermano puede conducir un coche.
Mijn broer kan autorijden.
Yo sé conducir un coche, pero Tom no.
Ik kan auto rijden, maar Tom niet.
Jim todavía no está acostumbrado a conducir por la izquierda.
Jim is het nog niet gewend van aan de linkerkant van de weg te rijden.
Me metí en problemas con la policía por conducir demasiado rápido.
Ik kreeg problemen met de politie omdat ik te hard reed.
Ahora que acabas de cumplir dieciocho, te puedes sacar el carnet de conducir.
Nu je achttien bent, mag je je rijbewijs halen.