Vertaling van ellos

Inhoud:

Spaans
Nederlands
ellas, ellos {pers. vnw.}
ze
zij 


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Ellos siguieron siendo amigos.

Ze bleven vrienden.

¿Ellos vendrán aquí mañana?

Komen ze morgen hiernaartoe?

Ellos nacieron en Tailandia.

Zij waren geboren in Thailand.

¿Quiénes son ellos?

Wie zijn zij?

Ellos partieron anoche.

Gisteravond zijn ze vertrokken.

Ellos abandonaron su país.

Ze verlieten hun land.

¿Ellos también vienen?

Komen zij ook?

Ellos viven cerca.

Ze wonen in de buurt.

Ellos comen mucho arroz.

Ze eten veel rijst.

¿Ellos son tus parientes?

Zijn ze familie van je?

¿Ellos son amigos?

Zijn ze vrienden?

Ellos nos vieron ayer.

Ze hebben ons gisteren gezien.

Ellos son vegetarianos.

Ze zijn vegetariërs.

Ellos saben pescar.

Zij kunnen vissen.

¿Sabes quienes son ellos?

Weet jij wie zij zijn?


Gerelateerd aan ellos

ellas