Vertaling van extranjero

Inhoud:

Spaans
Nederlands
extranjero {bn.}
buitenlands
uitheems
extranjero, forastero, extraño {bn.}
buitenlands
onwennig
vreemd 
extranjero [m] (el ~) {zn.}
buitenlander [m]
El extranjero no sabía japonés en absoluto.
De buitenlander kende helemaal geen Japans.
¡Pero con qué fluidez habla japonés aquel extranjero!
Hoe vloeiend die buitenlander Japans spreekt!
extranjero [m] (el ~) {zn.}
buitenland  [o]
Quiero ir al extranjero.
Ik wil naar het buitenland.
Se fue al extranjero.
Hij ging naar het buitenland.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Quiero ir al extranjero.

Ik wil naar het buitenland.

Se fue al extranjero.

Hij ging naar het buitenland.

Estudio en el extranjero.

Ik studeer in het buitenland.

Soy extranjero aquí.

Ik ben een vreemdeling hier.

Quiero estudiar en el extranjero.

Ik wil in het buitenland studeren.

¿Tienes previsto ir al extranjero?

Ben je van plan om naar het buitenland te gaan?

Le gusta viajar al extranjero.

Hij reist graag naar het buitenland.

¿Por qué quieres estudiar en el extranjero?

Hoezo wil je in het buitenland studeren?

Aprender un idioma extranjero es divertido.

Het is leuk om een vreemde taal te leren.

Aprender un idioma extranjero es divertido.

Het is leuk om een vreemde taal te leren.

Es fácil aprender un idioma extranjero.

Een vreemde taal leren is makkelijk.

¿Entiendes? Tienes que estudiar un idioma extranjero.

Heb je 'm? Je moet een vreemde taal leren.

¿Todavía está vuestro tío en el extranjero?

Is jullie oom nog steeds in het buitenland?

Mi padre a veces sale al extranjero.

Mijn vader gaat soms naar het buitenland.

Él acaba de volver del extranjero.

Hij is net vanuit het buitenland terug.


Gerelateerd aan extranjero

forastero - extraño