Vertaling van fiesta

Inhoud:

Spaans
Nederlands
fiesta [v] (la ~) {zn.}
feest  [o]
partij [v]
fuif [v]
festiviteit [v]
Les invité a la fiesta.
Ik heb hen uitgenodigd voor het feest.
La fiesta terminó a las nueve.
Het feest eindigde om negen uur.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

La fiesta fue muy divertida.

Het feestje was echt leuk.

Diviértase en la fiesta, John.

Veel plezier op het feestje, John.

Tenemos una fiesta el próximo sábado.

We hebben een feest volgende zaterdag.

Me topé con María en una fiesta la semana pasada.

Ik liep vorige week op een feestje Mary tegen het lijf.

Solo diez personas se presentaron a la fiesta.

Er zijn maar tien mensen opgedaagd voor het feest.

Ella no vino a la fiesta, pero nadie sabe por qué.

Ze kwam niet opdagen op het feestje, maar niemand weet waarom niet.

Invitamos a un novelista y a un poeta a la fiesta.

We hebben een romanschrijver en een poëet uitgenodigd voor het feest.