Vertaling van hablar

Inhoud:

Spaans
Nederlands
hablar {ww.}
spreken
praten 
Él sabe hablar japonés.
Hij kan Japans spreken.
Él sabe hablar japonés.
Hij kan Japans spreken.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Él sabe hablar japonés.

Hij kan Japans spreken.

Déjame hablar a mí.

Laat mij het woord voeren.

¿Querías hablar conmigo?

Ik ben er, wil je praten?

Él sabe hablar japonés.

Hij kan Japans spreken.

Ellos saben hablar español.

Zij kunnen Spaans spreken.

¿Sabes hablar en inglés?

Spreekt u Engels?

Ella puede hablar ruso.

Zij spreekt Russisch.

No puedo hablar.

Ik kan niet spreken.

Sabe hablar francés.

Hij kan Frans spreken.

Desearía poder hablar inglés.

Ik wenste dat ik Engels kon spreken.

¿Puedo hablar con Pedro?

Kan ik met Pedro spreken?

Hablar inglés es útil.

Engels spreken is nuttig.

¿Es difícil hablar inglés?

Is het moeilijk om Engels te spreken?

Es difícil hablar inglés.

Engels spreken is moeilijk.

Mary sabe hablar japonés.

Mary kan Japans spreken.