Vertaling van hija

Inhoud:

Spaans
Nederlands
hija [v] (la ~) {zn.}
dochter  [v]
Él tenía una hija.
Hij had één dochter.
Esta es mi hija.
Dat is mijn dochter.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Su hija consume drogas.

Uw dochter is aan de drugs.

Tu hija es muy bonita.

Jouw dochter is zeer mooi.

Ella tiene una hija pianista.

Ze heeft een dochter die pianiste is.

Su hija se ha hecho una bella mujer.

Zijn dochter is een mooie vrouw geworden.

La semana pasada dio a luz a una hija preciosa.

Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.

«¿Sabías que la hija del vecino ya está casada?» «¡No me digas! ¡Si sólo tiene dieciocho años!»

"Wist je dat de dochter van de buurman al getrouwd is?" 'Je zegt niet! Ze is pas achttien!"