Vertaling van hijos
Inhoud:
Spaans
Nederlands
hijos
kinderen
Voorbeelden in zinsverband
Spaans
Nederlands
¿Tienes hijos?
Heeft u kinderen?
¿Tenéis hijos?
Hebben jullie kinderen?
¿Tienes hijos?
Hebben jullie kinderen?
Él tiene 12 hijos.
Hij heeft twaalf zoons.
Él no tiene hijos.
Hij heeft geen kinderen.
Tenemos dos hijos.
We hebben twee kinderen.
Él tenía tres hijos.
Hij had drie zoons.
John tiene dos hijos.
John heeft twee zonen.
Abandonó a sus hijos.
Ze heeft haar kinderen in de steek gelaten.
Ése no tiene hijos.
Hij heeft geen kinderen.
Amamos a nuestros hijos.
Wij houden van onze kinderen.
¿Cuántos años tienen vuestros hijos?
Hoe oud zijn jullie kinderen?
Mi tía tenía tres hijos.
Mijn tante had drie kinderen.
Mi tío tiene tres hijos.
Mijn oom heeft drie kinderen.
Ella abandonó a los hijos.
Ze heeft haar kinderen achtergelaten.