Vertaling van pasada

Inhoud:

Spaans
Nederlands
pasada, anterior {bn.}
verleden
voorafgaand
voorgaand
vorig
vroeger 
pasada {bn.}
afgelopen 
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

El anciano murió la semana pasada.

De oude man is vorige week overleden.

¿Viste la televisión la pasada noche?

Heb je verleden nacht naar de televisie gekeken?

Ganó el premio la semana pasada.

Hij won vorige week de prijs.

Vi a mi abuelo la semana pasada.

Ik zag mijn opa vorige week.

Este es el vestido que confeccioné la semana pasada.

Dit is de jurk die ik vorige week heb gemaakt.

Me alegra haber podido ayudarle la semana pasada.

Ik ben blij dat ik kon u helpen vorige week.

Esperé a mi esposo hasta pasada la media noche.

Ik heb mijn man tot na middernacht opgewacht.

Me topé con María en una fiesta la semana pasada.

Ik liep vorige week op een feestje Mary tegen het lijf.

La semana pasada dio a luz a una hija preciosa.

Afgelopen week is ze bevallen van een mooie dochter.

¨¿Viste la televisión la semana pasada?¨ ¨No, no la vi.¨.

"Heb je vorige week naar TV gekeken?" "Nee, dat heb ik niet gedaan."

Me encontré con Mary en la fiesta de la semana pasada.

Ik kwam Mary tegen op het feest afgelopen week.

Le envié una carta la semana pasada y le enviaré otra hoy.

Vorige week heb ik u een brief gestuurd en vandaag stuur ik u er nog één.


Gerelateerd aan pasada

anterior