Vertaling van tiempo

Inhoud:

Spaans
Nederlands
tiempo [m] (el ~) {zn.}
weer  [o]
weersomstandigheden
weder [o]
El mal tiempo no es impedimento.
Slecht weer is geen hinderpaal.
Eres muy idiota para salir con este tiempo.
Je bent gek dat je uitgaat met dit weer.
tiempo [m] (el ~) {zn.}
tijd 
poos
No tengo tiempo.
Ik heb geen tijd.
No tengo tiempo.
Ik heb geen tijd.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Ha pasado mucho tiempo.

Lang niet gezien.

Ha pasado mucho tiempo.

Lang niet gezien.

Necesito más tiempo.

Ik heb meer tijd nodig.

¿Cuánto tiempo te quedaste?

Hoelang ben je gebleven?

El tiempo es oro.

Tijd is geld.

El tiempo vuela.

De tijd vliegt.

Hace buen tiempo.

Het is leuk.

No tengo tiempo ahora.

Ik heb nu geen tijd.

Viniste justo a tiempo.

Je komt precies op tijd.

Siempre llega a tiempo.

Hij is altijd op tijd.

No tengo tiempo.

Ik heb geen tijd.

Si tiene tiempo, vendrá.

Als hij tijd heeft, zal hij komen.

No tengo tiempo.

Ik heb geen tijd.

No malgastes mi tiempo.

Verspil mijn tijd niet.

No hay mucho tiempo.

We hebben niet veel tijd.