Vertaling van verdad

Inhoud:

Spaans
Nederlands
verdad [v] (la ~) {zn.}
waarheid  [v]
Descubrí la verdad.
Ik ontdekte de waarheid.
Él me dijo la verdad.
Hij vertelde me de waarheid.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

¿Es verdad?

Is het waar?

Puedes bailar, ¿verdad?

Je kan dansen, nietwaar?

También es verdad.

Ook dat is waar.

¿Me dirás la verdad?

Zal je me de waarheid vertellen?

Estáis cansados, ¿verdad?

Je bent moe, nietwaar?

Pronto sabremos la verdad.

We zullen weldra de waarheid weten.

Llegaste tarde, ¿verdad?

Ge waart laat zeker?

¡Buen clima! ¿verdad?

Lekker weertje hè?

Desafortunadamente es verdad.

Helaas is het waar.

Creo que es verdad.

Ik denk dat het waar is.

"Es verdad", dijo John.

"Dat klopt", zei John.

Eso no es verdad.

Dat is niet waar.

¿De verdad me amas?

Hou je werkelijk van mij?

Creo que es verdad.

Ik denk dat het waar is.

También es verdad.

Ook dat is waar.