Vertaling van viajar

Inhoud:

Spaans
Nederlands
viajar {ww.}
reizen 
Me gusta viajar.
Ik hou van reizen.
Quiero viajar contigo.
Ik wil met je reizen.


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Me gusta viajar.

Ik hou van reizen.

Quiero viajar contigo.

Ik wil met je reizen.

Quiero viajar alrededor del mundo.

Ik wil rond de wereld reizen.

Le gusta viajar al extranjero.

Hij reist graag naar het buitenland.

Eres demasiado joven para viajar solo.

Jullie zijn te jong om alleen te reizen.

Hoy en día es fácil viajar.

Reizen is vandaag de dag gemakkelijk.

Voy a viajar por Europa la próxima semana.

Volgende week reis ik naar Europa.

Mi hermano es lo suficientemente mayor como para viajar solo.

Mijn broer is oud genoeg om alleen te reizen.