Vertaling van vivir
Voorbeelden in zinsverband
Vivir y aprender.
Leef en leer.
Hay que comer para vivir y no vivir para comer.
Men moet eten om te leven, niet leven om te eten.
No puedo vivir sin vos.
Zonder jou kan ik niet leven.
No puedo vivir sin televisión.
Zonder tv kan ik niet leven.
Planeo vivir en la ciudad.
Ik ben van plan om in de stad te gaan wonen.
Me gustaría vivir en Francia.
Ik zou graag in Frankrijk wonen.
Esta casa es demasiado chica para vivir.
Dit huis is te klein om in te wonen.
No podemos vivir sin el aire.
We kunnen niet leven zonder lucht.
Los poetas no pueden vivir sin amor.
Dichters kunnen niet leven zonder liefde.
Es imposible vivir en esa isla.
Het is onmogelijk op dat eiland te wonen.
No tengo nada por lo que vivir.
Ik heb niets om voor te leven.
¿Te gusta vivir aquí?
Bevalt het je hier?
Los humanos nunca fueron hechos para vivir eternamente.
Het was nooit de bedoeling dat mensen eeuwig zouden leven.
Las mujeres suelen vivir más que los hombres.
Vrouwen leven over het algemeen langer dan mannen.
¿Te has acostumbrado a vivir en la residencia?
Ben je gewend geraakt aan het leven in de slaapzaal?