Vertaling van él

Inhoud:

Spaans
Nederlands
él {pers. vnw.}
hij
'ie


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Él corre.

Hij rent.

Él parece ser honesto.

Het lijkt dat hij eerlijk is.

Él tocó la puerta.

Hij klopte op de deur.

Él nunca miente.

Hij liegt nooit.

Él guarda su palabra.

Hij houdt zich aan zijn woord.

Él lloró y lloró.

Hij huilde en huilde.

Él tiene otro hijo.

Hij heeft nog een zoon.

Él te estará esperando.

Hij zal op je wachten.

Él habló consigo mismo.

Hij sprak in zichzelf.

Él vendrá pronto.

Hij komt snel.

Él volvió a Japón.

Hij is naar Japan teruggekeerd.

¿Él habla inglés?

Spreekt hij Engels?

Él cambió su dirección.

Hij heeft zijn adres gewijzigd.

Él sabe hablar japonés.

Hij kan Japans spreken.

Él tiene un perro.

Hij heeft een hond.