bout [m] (le ~), cime [v] (la ~), pointe [v] (la ~), sommet [m] (le ~) {zn.} top
tip
spits
punt
neus
topje [o]
piek [v]
La vue du sommet est très jolie.
Het uitzicht vanaf de top is erg mooi.
La pointe de la lance était trempée dans un poison mortel.
De top van de speer was gedrenkt in een dodelijk vergif.