Vertaling van conduire

Inhoud:

Frans
Nederlands
conduire, diriger, mener, aboutir {ww.}
besturen 
voeren 
geleiden
leiden
brengen 
Ton oncle t'a-t-il laissé conduire sa voiture ?
Heeft uw oom u zijn auto laten besturen?
conduire, diriger, piloter {ww.}
besturen 
sturen


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Conduire trop vite est dangereux.

Te snel rijden is gevaarlijk.

Savez-vous conduire une voiture ?

Kun je autorijden?

Elle n'a pas de permis de conduire.

Ze heeft geen rijbewijs.

Je peux conduire une voiture, mais pas Tom.

Ik kan auto rijden, maar Tom niet.

Ton oncle t'a-t-il laissé conduire sa voiture ?

Heeft uw oom u zijn auto laten besturen?


Gerelateerd aan conduire

diriger - mener - aboutir - piloter