Vertaling van coucher

Inhoud:

Frans
Nederlands
coucher {ww.}
in bed stoppen
naar bed brengen 
coucher {ww.}
leggen 
neerleggen 
vlijen
baiser, coucher [o], forniquer {ww.}
vozen
naaien 
copuleren
neuken 
wippen

Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Étant très fatigué, j'allai me coucher tôt.

Ik was erg moe, daarom ging ik vroeg naar bed.

Fermez la fenêtre avant d'aller vous coucher.

Doe het raam op slot voor je naar bed gaat.

J'entendis un bruit dans la chambre à coucher.

Ik hoorde een geluid in de slaapkamer.

Il est allé se coucher à dix heures comme d'habitude.

Hij ging om tien uur naar bed zoals gewoonlijk.

Nous pouvions voir le coucher de soleil par la fenêtre.

We konden de zonsondergang vanuit ons raam zien.

À quelle heure vas-tu habituellement te coucher ?

Hoe laat gaat ge gewoonlijk gaan slapen?

Après avoir regardé la télévision, je suis allé me coucher.

Nadat ik TV gekeken had, ging ik naar bed.

Nous devons encore marcher seize kilomètres avant le coucher du soleil.

We moeten nog tien mijl lopen voor zonsondergang.


Gerelateerd aan coucher

baiser - forniquer