Vertaling van courir

Inhoud:

Frans
Nederlands
courir {ww.}
rennen 
hardlopen
snellen
hollen
Je sais courir.
Ik kan rennen.
Je peux courir.
Ik kan rennen.

Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Je sais courir.

Ik kan rennen.

Je peux courir.

Ik kan rennen.

Je l'ai vu courir.

Ik heb hem zien rennen.

Courir est bon pour la santé.

Lopen is goed voor je gezondheid.

Je suis trop fatigué pour courir.

Ik ben te moe om te rennen.

Courir est bon pour la santé.

Hardlopen is goed voor de gezondheid.

Je ne veux pas courir le risque de le perdre.

Ik wil niet het risico lopen het te verliezen.

Il a assurément pris des produits dopants pour arriver à courir aussi vite.

Om zo snel te lopen moet hij haast wel steroïden hebben genomen.