Vertaling van couvert

Inhoud:

Frans
Nederlands
couvert [m] (le ~) {zn.}
tafelgerei
couvert [o]
eetgerei [o]
bestek  [o]
nuageux, couvert {bn.}
betrokken 
bewolkt 
couvrir, recouvrir {ww.}
toedekken
dekken 
bedekken 
beleggen 

j'ai couvert
tu as couvert
il/elle a couvert

ik heb toegedekt
jij hebt toegedekt
hij/zij/het heeft toegedekt
» meer vervoegingen van toedekken



Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Le temps était couvert hier.

Gisteren was het bewolkt.

Il était couvert de sueur.

Hij was helemaal bezweet.

L'oiseau était couvert de plumes blanches.

De vogel was bedekt met witte veren.

Le ciel était-il couvert à Tokyo hier ?

Was het bewolkt gisteren in Tokio?

Le sommet du Mt Fuji était couvert de neige.

De top van de Fuji was bedekt met sneeuw.

Le cambrioleur s'introduisit dans la maison sous couvert de la nuit.

De inbreker brak in het huis onder dekking van de nacht.


Gerelateerd aan couvert

nuageux - couvrir - recouvrir