Vertaling van cuisiner

Inhoud:

Frans
Nederlands
cuire, cuisiner {ww.}
koken
Bob sait cuisiner.
Bob kan koken.
Je ne sais pas cuisiner.
Ik kan niet koken.


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Bob sait cuisiner.

Bob kan koken.

Je ne sais pas cuisiner.

Ik kan niet koken.

Je vous ai vus cuisiner.

Ik zag u koken.

Elle aime cuisiner pour sa famille.

Ze kookt graag voor haar gezin.

Elle aime cuisiner pour sa famille.

Ze kookt graag voor haar gezin.

Il aime cuisiner pour sa famille.

Hij kookt graag voor zijn gezin.

J'ignorais que tu pouvais aussi bien cuisiner.

Ik wist niet dat ge zo goed kondt koken.


Gerelateerd aan cuisiner

cuire