Vertaling van fils

Inhoud:

Frans
Nederlands
fils [m] (le ~) {zn.}
zoon  [m]
Tel père, tel fils.
Zo vader, zo zoon.
Vous êtes le fils de qui ?
Wiens zoon ben jij?


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Tel père, tel fils.

Zo vader, zo zoon.

Il a douze fils.

Hij heeft twaalf zoons.

Il avait trois fils.

Hij had drie zoons.

John a deux fils.

John heeft twee zonen.

Il a un autre fils.

Hij heeft nog een zoon.

Quel âge a votre fils ?

Hoe oud is je zoon?

Je suis très fier de mon fils.

Ik ben zeer trots op mijn zoon.

Il est fier de son fils.

Hij is trots op zijn zoon.

Mon fils croit à Père Noël.

Mijn zoon gelooft in de kerstman.

Il était impatient de voir son fils.

Hij was ongeduldig om zijn zoon te zien.

Vous êtes le fils de qui ?

Wiens zoon ben jij?

Ses fils font ce qui leur chante.

Zijn zoons doen wat ze willen.

Ce CD est à mon fils.

Deze CD is van mijn zoon.

Ils ont appelé leur fils John.

Ze hebben hun zoon John genoemd.

Il a un fils et deux filles.

Hij heeft een zoon en twee dochters.