Vertaling van nager
Voorbeelden in zinsverband
J'aime nager.
Ik hou van zwemmen.
Il peut nager vite.
Hij kan snel zwemmen.
Mary sait nager.
Mary kan zwemmen.
J'aimerais savoir nager.
Ik wou dat ik kon zwemmen.
Il aime nager.
Hij houdt van zwemmen.
Irions-nous nager ?
Zullen we gaan zwemmen?
Il sait nager.
Hij kan zwemmen.
Je ne sais pas nager.
Ik kan niet zwemmen.
L'as-tu déjà vu nager ?
Heb je hem ooit zien zwemmen?
Avez-vous envie d'aller nager ?
Heb je zin om te gaan zwemmen?
L'eau est assez chaude pour y nager.
Het water is warm genoeg om erin te zwemmen.
Continuez de nager jusqu'à vos limites.
Doorzwemmen tot je aan je grens zit.
Il fait assez chaud pour nager.
Het is warm genoeg om te zwemmen.
Tu sais nager, mais moi, non.
Jij kan zwemmen, maar ik niet.
Je vais souvent nager à la plage en été.
Ik zwem vaak op het strand in de zomer.