Vertaling van sûr

Inhoud:

Frans
Nederlands
sûr {bn.}
betrouwbaar 
vertrouwd
bona fide
sûr {bn.}
safe
veilig
zeker 
certain, sûr, assuré {bn.}
gewis
stellig
zeker 
vast
vaststaand
verzekerd
wis
en sûreté, sûr, à l'abri {bn.}
behouden 
geborgen
safe
veilig
inoffensif, sûr {bn.}
goedaardig
ongevaarlijk
veilig

Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Je suis sûr.

Ik weet het zeker.

Bien sûr qu'il a raison.

Natuurlijk, hij heeft gelijk.

Je suis sûr qu'il viendra.

Ik weet zeker dat hij komt.

Je ne suis pas sûr de ça.

Hier ben ik niet zeker van.

Je suis sûr de l'avoir vu auparavant.

Ik ben er zeker van dat ik hem al eerder gezien heb.

Un tel homme est sûr d'échouer.

Zo iemand lukt niets.

Je ne suis pas sûr de quand il va faire surface.

Ik weet niet zeker wanneer hij op komt dagen.

Je sais que tu penses avoir compris ce que tu pensais que j'avais dit, mais je ne suis pas sûr que tu as réalisé que ce que tu as entendu n'est pas ce que je voulais dire.

Ik weet dat je denkt dat je hebt begrepen wat je dacht dat ik gezegd heb, maar ik weet niet zeker of je je wel gerealiseerd hebt dat wat jij gehoord hebt niet is wat ik bedoelde.


Gerelateerd aan sûr

certain - assuré - en sûreté - à l'abri - inoffensif