Vertaling van tôt
Voorbeelden in zinsverband
Mon père se lève tôt.
Mijn vader staat vroeg op.
Vous devriez aller tôt au lit.
Je moet vroeg naar bed gaan.
Il m'a promis qu'il viendrait tôt.
Hij beloofde me om vroeg te komen.
Je suis allé marcher tôt le matin.
Vroeg in de morgen heb ik een wandeling gedaan.
Il ne se lève pas tôt.
Hij staat niet vroeg op.
Étant très fatigué, j'allai me coucher tôt.
Ik was erg moe, daarom ging ik vroeg naar bed.
Se lever tôt est bon pour la santé.
Vroeg opstaan is goed voor de gezondheid.
Tu aurais dû me le dire plus tôt.
Je had het me eerder moeten laten weten.
Je ne suis pas habituée à me lever tôt.
Ik ben niet gewoon vroeg op te staan.
Ne ferions-nous pas mieux de partir tôt ?
Kunnen we zo niet beter gaan?
Elle ne peut pas être ici aussi tôt.
Ze kan hier zo vroeg niet zijn.
Il finira tôt ou tard par tout me dire.
Vroeg of laat zal hij me alles vertellen.