Vertaling van à temps

Inhoud:

Frans
Nederlands
à temps {bw.}
bijtijds 
op tijd
tijdig 
temps [m] (le ~) {zn.}
weer  [o]
weersomstandigheden
weder [o]
Quel temps fait-il ?
Hoe is het weer?
Quel temps fait-il ?
Hoe is het weer?
durée [v] (la ~), temps [m] (le ~) {zn.}
tijd 
poos
Oui, ça arrive de temps en temps.
Ja, het gebeurt van tijd tot tijd.
Prenez votre temps.
Neem de tijd.


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Notre train arriva à temps.

Onze trein kwam op tijd.

Je suis arrivée à l'école à temps.

Ik ben op tijd op school gekomen.

Il a couru afin d'y parvenir à temps.

Hij rende opdat hij op tijd zou zijn.

L'été dernier, j'ai travaillé à temps partiel dans une ferme.

Vorige zomer werkte ik parttime op een boerderij.

Le cancer peut être guéri s'il est découvert à temps.

Kanker kan genezen worden als het bijtijds ontdekt wordt.

Beaucoup d'étudiants font des boulots à temps partiel.

Veel studenten werken deeltijds.

L'été dernier j'ai travaillé à temps partiel à la ferme.

De voorbije zomer heb ik deeltijds op de boerderij gewerkt.


Gerelateerd aan à temps

temps - durée