Vertaling van être

Inhoud:

Frans
Nederlands
être {ww.}
zijn 
wezen
Il voulait être riche.
Hij wou rijk zijn.
Voulez-vous être riche ?
Wil je rijk zijn?


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

J'aimerais être riche.

Ik wenste dat ik rijk was.

Qu'allez-vous être ?

Wat zult ge worden?

J'aimerais être Picasso.

Ik zou graag Picasso zijn.

Je ne veux pas être tendu, je veux être détendu !!

Ik wil geen stumper zijn, ik wil cool zijn!!

Un homme doit être honnête.

Een man moet eerlijk zijn.

Il prétendait être un docteur.

Hij deed alsof hij een dokter was.

Vous devriez être plus prudentes.

U zou beter wat voorzichtiger zijn.

Il s'est senti être soulevé.

Hij voelde dat hij opgetild werd.

Il était peut-être malade.

Hij was misschien ziek.

Être pauvre n'est pas déshonorant.

Arm zijn is geen schande.

Ça ne peut être vrai.

Het kan niet waar zijn.

Je n'aime pas être dérangé.

Ik wil niet gestoord worden.

Tout le monde veut être heureux.

Iedereen wil gelukkig zijn.

La peine de mort devrait être abolie.

De doodstraf zou afgeschaft moeten worden.

Il prétend ne pas être du coin.

Hij doet net of hij hier niet bekend is.