Vertaling van boom
Inhoud:
Nederlands
Duits
boom {zn.}
Baum
Wie heeft de boom geplant?
Wer hat den Baum gepflanzt?
Hij klom uit de boom naar beneden.
Er kletterte vom Baum herunter.
bomen, ratelen, snateren {ww.}
andauernd schwatzen
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Duits
Wie heeft de boom geplant?
Wer hat den Baum gepflanzt?
Hij klom uit de boom naar beneden.
Er kletterte vom Baum herunter.
Hij stak zijn mes in de boom.
Er stach sein Messer in den Baum.
De appel valt niet ver van de boom.
Der Apfel fällt nicht weit vom Stamm.
Ik heb mijn hond vastgebonden aan een boom in de tuin.
Ich habe meinen Hund an einen Baum im Garten angebunden.