Vertaling van hoorn

Inhoud:

Nederlands
Duits
hoorn [m], ontvanger, ontvangtoestel {zn.}
Hörer [m] (der ~)
hoorn [m], toeter [m], claxon [m] {zn.}
Hupe [v] (die ~)
Horn
hoorn [m], telefoonhoorn {zn.}
Hörrohr [o] (das ~)
Hörer [m] (der ~)


Gerelateerd aan hoorn

ontvanger - ontvangtoestel - toeter - claxon - telefoonhoorn