Vertaling van lossen

Inhoud:

Nederlands
Duits
loslaten, lossen, tappen, uitlaten, vieren, weglaten {ww.}
loslassen
herauslassen
herausfließen lassen
auslassen

wij lossen
jullie lossen
zij lossen

wir lassen los
ihr lasst los
sie lassen los
» meer vervoegingen van loslassen

afladen, lossen, uitladen {ww.}
ausladen

wij lossen
jullie lossen
zij lossen

wir laden aus
ihr ladet aus
sie laden aus
» meer vervoegingen van ausladen

afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los (mv. lossen), apart, separaat, los van elkaar {bn.}
abgesondert
besonder
einzeln
separat
gesondert
getrennt
abgetrennt
los (mv. lossen), onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld {bn.}
frei
geläufig
los (mv. lossen) [m], lynx [m] {zn.}
Luchs [m] (der ~)
beweegbaar, los (mv. lossen), mobiel, roerend {bn.}
beweglich


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Duits

Ik probeerde het probleem op te lossen.

Ich habe versucht, das Problem zu lösen.

Ik had moeite dit probleem op te lossen.

Ich hatte Mühe, dieses Problem zu lösen.

Dit is de beste manier op dat probleem op te lossen.

Dies ist der beste Weg zur Lösung des Problems.