Vertaling van tui

Sorry, er is geen exacte vertaling gevonden in het Nederlands - Duits woordenboek

Vergelijkbare woorden

Nederlands
Duits
tuit, mondstuk, sproeier {zn.}
Düse [v] (die ~)
bek [m], neb [v], snavel [m], tuit [v], vogelbek [m], nebbe {zn.}
Schnabel [m] (der ~)
Tülle [v] (die ~)
Spitze [v] (die ~)
Schnauze [v] (die ~)
tuimelaar, tuimelschakelaar {zn.}
Kippschalter [m] (der ~)
tuimelraam [o] {zn.}
Kippfenster [o] (das ~)
Klappfenster [o] (das ~)
bed [o], bloemperk [o], perk [o], tuinbed {zn.}
Beet [o] (das ~)
bepalen, bevestigen, fixeren, tuigeren, vastmaken, vaststellen {ww.}
befestigen
festsetzen
fixieren
festmachen
anbringen
festbinden
anstecken
aufstecken
aufspannen
einspannen
festspannen
verankern
bestimmen
regeln
formulieren
aufstellen
abstecken
boon [v], tuinboon [v], veldboon [v] {zn.}
Bohne [v] (die ~)
Puffbohne [v] (die ~)
spannen, bespannen, inspannen, tuigen, optuigen, voorspannen {ww.}
spannen
anspannen
vorspannen
canaille [o], geboefte [o], schorremorrie [o], gespuis, grauw, schorem, tuig {zn.}
Gesindel [o] (das ~)
tuinder {zn.}
Gartenbauingenieur