Vertaling van vertrek
Inhoud:
Nederlands
Duits
vertrek {zn.}
Abreise
Abzug
Abgang
Abzug
Abgang
Hij besloot zijn vertrek uit te stellen.
Er entschloss sich, seine Abreise zu verschieben.
We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
Wir schoben unsere Abreise wegen des Sturmes auf.
afrit , afvaart , vertrek {zn.}
Abfahrt
kamer , lokaal , vertrek {zn.}
Zimmer
Raum
Kammer
Stube
Gemach
Raum
Kammer
Stube
Gemach
De kamer was warm.
Das Zimmer war warm.
Hij verliet de kamer.
Er verließ das Zimmer.
afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen {ww.}
fortgehen
abreisen
abreisen
ik vertrek
ich gehe fort
» meer vervoegingen van fortgehen
twijnen, verbuigen, verdraaien, vertrekken, wringen, verwringen {ww.}
ringen
winden
drehen
winden
drehen
ik vertrek
ich ringe
» meer vervoegingen van ringen
uitvliegen, vertrekken, vervliegen, wegvliegen {ww.}
fortfliegen
abfliegen
abfliegen
ik vertrek
ich fliege fort
» meer vervoegingen van fortfliegen
afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden {ww.}
abreisen
abfahren
abfahren
ik vertrek
ich reise ab
» meer vervoegingen van abreisen
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Duits
Ik vertrek voor een aantal dagen.
Ich verlasse für ein paar Tage die Stadt.
We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
Wir schoben unsere Abreise wegen des Sturmes auf.
Daarna vertrek ik, maar dan realiseer ik me dat ik m'n rugzak bij hen thuis heb laten liggen.
Danach gehe ich, aber dann merke ich, dass ich meinen Rucksack vergessen habe.