Vertaling van zat
Inhoud:
Nederlands
Duits
verzadigd, vol, zat {bn.}
satt
beschonken, dronken, zat {bn.}
berauscht
trunken
betrunken
trunken
betrunken
zitten {ww.}
sitzen
ik zat
jij zat
hij/zij/het zat
ich saß
du saßest
er/sie/es saß
» meer vervoegingen van sitzen
Ze zitten aan tafel.
Sie sitzen am Tisch.
We waren zo opgewonden dat we niet stil konden zitten.
Wir waren so aufgeregt, dass wir nicht still sitzen konnten.
poseren, zitten {ww.}
posieren
ik zat
jij zat
hij/zij/het zat
ich posierte
du posiertest
er/sie/es posierte
» meer vervoegingen van posieren
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Duits
Hij zat bij de rivier.
Er saß am Fluss.
De hond zat achter de kat aan.
Der Hund rannte der Katze hinterher.
Hij zat daar een pijp te roken.
Er saß Pfeife rauchend da.
Ik zat tussen Tom en John.
Ich saß zwischen Tom und John.
De jongen zat op een stoel.
Der Junge saß auf einem Stuhl.
Een oude man zat naast mij in de bus.
Ein alter Mann saß neben mir im Bus.