Vertaling van zijn

Inhoud:

Nederlands
Duits
zijn, 'r, d'r, z'n, haar, zijne, hare {bez. vnw.}
ihr
sein
zijn, z'n, zijne {bez. vnw.}
sein
zijn, wezen [o] {zn.}
Existenz [v] (die ~)
wezen, zijn {ww.}
sein

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

wir sind
ihr seid
sie sind
» meer vervoegingen van sein

Programmeertalen zijn zijn hobby.
Programmiersprachen sind sein Hobby.
Zijn vader schijnt advokaat te zijn.
Sein Vater scheint Anwalt zu sein.
bestaan [o], zijn, existentie {zn.}
Existenz [v] (die ~)
Bestehen
Dasein [o] (das ~)
Geloof je in het bestaan van God?
Glauben Sie an die Existenz Gottes?
Zij probeert het bestaan van geesten te bewijzen.
Sie versucht die Existenz von Geistern zu beweisen.
haar, hun, zijn, heur, z'n, 'r, d'r {bez. vnw.}
sein
ihr
wezenheid [v], wezen [o], zijn {zn.}
Wesenheit [v] (die ~)

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Duits

Zijn schoenen zijn bruin.

Seine Schuhe sind braun.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Programmiersprachen sind sein Hobby.

Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.

Die Augen sind größer als der Magen.

Zijn beide ouders zijn dood.

Seine Eltern sind beide tot.

Zijn beelden zijn erg beroemd.

Seine Bilder sind sehr berühmt.

Zijn beide grootvaders zijn dood.

Seine beiden Großväter sind tot.

Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.

Sein Vater und seine Mutter sind beide tot.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

Sein Vater scheint Anwalt zu sein.

Tien jaar zijn verstreken sinds zijn dood.

Zehn Jahre sind seit seinem Tod vergangen.

We zijn leerlingen.

Wir sind Schüler.

Waar zijn je kleinkinderen?

Wo sind deine Enkel?

Zijn toespraak beroerde ons.

Seine Rede hat uns bewegt.

Beide zussen zijn blondines.

Die Schwestern sind alle beide blond.

Bananen zijn geel.

Bananen sind gelb.

We zijn studenten.

Wir sind Schüler.


Gerelateerd aan zijn

'r - d'r - z'n - haar - zijne - hare - wezen - bestaan - existentie - hun - heur - wezenheid