Vertaling van zwijn

Inhoud:

Nederlands
Duits
bof [m], buitenkansje [o], veine [v], geluk, mazzel, tref, zwijn, zwijntje [o], buitenkans, gelukje, meevaller {zn.}
Glück [o] (das ~)
Glücksfall [m] (der ~)
Wat is geluk?
Was ist Glück?
Maar hij heeft geluk gehad.
Aber er hatte Glück.
boemelaar [m], brasser [m], losbol, sjap, zwabber, zwierbol, zwijn, zwijnjak {zn.}
Prasser
Schwelger [m] (der ~)
Schlemmer [m] (der ~)
Wüstling [m] (der ~)
varken [o], zwijn [o] {zn.}
Schwein [o] (das ~)
De koe loeit, de haan kraait, het varken knort, de eend kwaakt en de kat miauwt.
Die Kuh muht, der Hahn kräht, das Schwein grunzt, die Ente quakt und die Katze miaut.
boffen, geluk hebben, het treffen, zwijnen {ww.}
Glück haben
aan de rol zijn, brassen, boemelen, slempen, uitspatten, zwijnen {ww.}
schlemmen
schwelgen
prassen
ein ausschweifendes Leben führen
liederlich leben
ausschweifend leben

ik zwijn

ich schlemme
» meer vervoegingen van schlemmen



Gerelateerd aan zwijn

bof - buitenkansje - veine - geluk - mazzel - tref - zwijntje - buitenkans - gelukje - meevaller - boemelaar - brasser - losbol - sjap - zwabber