Vertaling van fietsen
wij fietsen
jullie fietsen
zij fietsen
we cycle
you cycle
they cycle
» meer vervoegingen van to cycle
to cycle
to bike
to wheel
to pedal
wij fietsen
jullie fietsen
zij fietsen
we cycle
you cycle
they cycle
» meer vervoegingen van to cycle
Voorbeelden in zinsverband
Ik moet fietsen.
I must ride a bicycle.
Ik heb leren fietsen toen ik zes was.
I learned how to ride a bike when I was six years old.
Alleen genieters fietsen en komen altijd eerder aan.
Only people who enjoy life ride a bicycle and always are there faster.
Het leven is als fietsen. Om in balans te blijven moet je in beweging blijven.
Life is like riding a bicycle. To keep your balance you must keep moving.
Moet dit een krentenbol zijn? Je moet haast fietsen van de ene krent naar de andere, zo weinig zitten er in.
Is this supposed to be a currant bun? You almost need to cycle from one currant to another, so few are there.