Vertaling van hotel

Inhoud:

Nederlands
Engels
hotel [o] (het ~) {zn.}
hotel
Uiteindelijk bereikte hij het hotel.
He finally reached the hotel.
Mijn oom runt een hotel.
My uncle runs a hotel.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Zitten we in hetzelfde hotel?

Are we in the same hotel?

Het is niet ver van het hotel.

It is not far away from the hotel.

Vroeger was hier ergens een hotel.

There used to be a hotel around here.

Ik wil naar een hotel toe gaan.

I want to go to a hotel.

Hoe ver is het van het vliegveld naar het hotel?

How far is it from the airport to the hotel?

Hier wordt volgend jaar een nieuw hotel gebouwd.

A new hotel will be built here next year.

Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.

He's been staying at that hotel for the past five days.

Het was donker toen ik het hotel bereikte.

It was dark when I reached the hotel.

Dit hotel heeft een sportzaal en een zwembad.

This hotel has a gym and a swimming pool.

Jammer genoeg is het hotel dat je aanbevolen had compleet volgeboekt.

Unfortunately, the hotel that you suggested was completely booked up.

Een groot deel van de volgende dag bleef hij in het hotel en sprak met vrienden en supporters.

He stayed in his hotel most of the next day, talking to friends and supporters.


Gerelateerd aan hotel