Vertaling van huis

Inhoud:

Nederlands
Engels
familie [v], gezin [o], huis [o], huisgezin [o] {zn.}
family 
Ik heb geen gezin.
I have no family.
We zijn haast een gezin.
We're practically family.
geslacht [o], huis [o], pand [o], familie [v] {zn.}
house 
family 
building 
household 
Ze zijn zes maanden bezig geweest om het huis te bouwen.
They spent six months building the house.
Dit is hun huis.
This is their house.
huis [o] (het ~) {zn.}
home
place
Ga terug naar huis.
Go back home.
Ik wil naar huis.
I want to go home.
gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen {ww.}
to live 
to stay 
to reside
to dwell

ik huis

I live
» meer vervoegingen van to live

Waar wonen jullie allemaal?
Where do you all live?
Ze wonen in de buurt.
They live nearby.
familie [v] (de ~), huis [o] (het ~), maagschap, stam [m] (de ~), geslacht [o] (het ~) {zn.}
family
sept
phratry
kinsfolk
kinfolk
folk
family line
Hoe groot is uw familie?
How large is your family?
Hoe gaat het met de familie?
How is the family?
gebouw [o] (het ~), pand [o] (het ~), huis [o] (het ~), perceel [o] (het ~) {zn.}
building
edifice
Kijk naar dat gebouw.
Look at that building.
Moet je dat hoge gebouw zien.
Look at that tall building.
omhulsel [o] (het ~), hulsel, kas, omkleedsel, behuizing [v] (de ~), huis {zn.}
protective cover
protective covering
protection
verblijven, huizen {ww.}
to bide
to stay
to abide

ik huis

I bide
» meer vervoegingen van to bide

huizen {ww.}
to be
to equal

ik huis


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Dit is hun huis.

This is their house.

Dit is haar huis.

This is her house.

Ik zie het huis.

I see the house.

Dit is zijn huis.

This is his house.

Dit huis is beroemd.

This house is famous.

Mijn huis is hier.

My house is here.

Ik wil naar huis.

I want to go home.

Ga terug naar huis.

Go back home.

Dat huis is groot.

That house is big.

Ik ga mijn huis verkopen.

I'm going to sell my house.

Ze wilde graag naar huis.

She was eager to go home.

Dat huis is van mij.

That house belongs to me.

"Waar staat je huis?" "Daarzo."

"Where is your house?" "It is over there."

Hij heeft een eigen huis.

He has a house of his own.

Zijn huis is zeer modern.

His house is very modern.