Vertaling van naar huis

Inhoud:

Nederlands
Engels
huiswaarts, naar huis {bw.}
home 

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ik wil naar huis.

I want to go home.

Ga terug naar huis.

Go back home.

Ze wilde graag naar huis.

She was eager to go home.

Mag ik naar huis gaan?

May I go home?

Ik moet naar huis gaan.

I have to go home.

Ik wil niet naar huis lopen.

I don't want to walk home.

Hoe laat ga je naar huis?

What time do you go home?

Je moet vroeg naar huis gaan.

You should go home early.

Ik moest te voet naar huis gaan.

I had to walk home.

Ga je met de bus naar huis?

Are you going home by bus?

Ik ontmoette hem op weg naar huis.

I met him on my way home.

Wanneer kom je terug naar huis?

When do you return home?

Kom alsjeblieft zo snel mogelijk naar huis.

Please come home as quickly as possible.

Ge moogt naar huis gaan nu.

You may go home now.

Ik heb haar naar huis gestuurd.

I sent her home.


Gerelateerd aan naar huis

huiswaarts