Vertaling van reis

Inhoud:

Nederlands
Engels
reis, tocht, toer, trip {zn.}
trip 
voyage 
journey
Goede reis!
Safe journey.
Ze hebben hun trip vanwege Regen afgebroken.
Their trip has been cancelled due to rain.
reis [m] (de ~) {zn.}
traveling
travelling
travel
Ik reis vaak.
I often travel.
Volgende week reis ik naar Europa.
I will be traveling in Europe next week.
reizen {ww.}
to travel 
to voyage 
to journey

ik reis

I travel
» meer vervoegingen van to travel

Ik wil met je reizen.
I want to travel with you.
Ik wil rond de wereld reizen.
I want to travel around the world.
reizen {ww.}
to tour

ik reis

I tour
» meer vervoegingen van to tour

reizen, reizend {ww.}
to travel
to trip
to jaunt

ik reis

I travel
» meer vervoegingen van to travel

Jullie zijn te jong om alleen te reizen.
You are too young to travel alone.
Mijn droom is om in een spaceshuttle te reizen.
My dream is to travel in a space shuttle.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Voor enkele dagen is ze op reis vertrokken.

She went on a trip for a few days.

Tijdens mijn reis ben ik nooit naar Hiroshima gegaan.

I never went to Hiroshima on my trip.

Ik reis liever met de trein dan met de vliegtuig.

I prefer travelling by train to flying.

Koop onze krant en win een reis naar Chmelnytsky!

Buy our newspaper and win a trip to Khmelnytsky!

Ze zijn rijke Engelse dames op reis naar Italië.

They are rich Englishwomen on a trip to Italy.

Hoe gaat het met u? Hebt u een goede reis gehad?

How are you? Did you have a good trip?

Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.

I will postpone my trip to Scotland until it is warmer.

De bemanning bereide zich voor op de reis naar de ruimte.

The crew prepared for the voyage to outer space.


Gerelateerd aan reis

tocht - toer - trip - reizen - reizendverplaatsing - reizen - verplaatsen