Vertaling van bellen

Inhoud:

Nederlands
Spaans
bellen, aanbellen, luiden, schellen {ww.}
llamar
tocar la campanilla

wij bellen
jullie bellen
zij bellen

nosotros llamamos
vosotros llamáis
ellos/ellas llaman
» meer vervoegingen van llamar

Bedankt voor het bellen.
Gracias por llamar.
Waar kan ik bellen?
¿Dónde puedo llamar por teléfono?
bel [m] (de ~), luchtbel {zn.}
burbuja [v] (la ~)
bel (mv. bellen) [v], klok [v] {zn.}
timbre [m] (el ~)
campanilla [v] (la ~)
bel (mv. bellen) [v], rinkelbel [v], schel [v] {zn.}
timbre [m] (el ~)
campanilla [v] (la ~)


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Waar kan ik bellen?

¿Dónde puedo llamar por teléfono?

Bedankt voor het bellen.

Gracias por llamar.

Ik zal hem vanavond bellen.

Lo llamaré esta tarde.

Hij zei dat hij morgen zou bellen.

Él dijo que llamaría mañana.

Vraag Tom me te bellen. Hij heeft mijn nummer.

Pídele a Tom que me llame. Él tiene mi número.

Als hij me echt graag had, zou hij me vaker bellen.

Si realmente le gustase, me llamaría más a menudo.


Gerelateerd aan bellen

aanbellen - luiden - schellen - bel - luchtbel - klok - rinkelbel - schel