Vertaling van familie

Inhoud:

Nederlands
Spaans
familie [v], gezin [o], huis [o], huisgezin [o] {zn.}
familia [v] (la ~)
Ik heb geen gezin.
No tengo familia.
Ik heb een groot gezin.
Tengo una familia numerosa.
geslacht [o], huis [o], pand [o], familie [v] {zn.}
casa [v] (la ~)
Ik wil naar huis.
Quiero irme a casa.
Dat huis is groot.
Aquella casa es grande.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Hoe groot is uw familie?

¿Cómo de grande es su familia?

Zijn ze familie van je?

¿Ellos son tus parientes?

Weet je iets over je familie?

¿Sabes algo de tu familia?

Ik nam een foto van mijn familie.

Tomé una foto de mi familia.

Al mijn vrienden en familie zijn dood.

Todos mis amigos y mis familiares han muerto.

Tom' beslissing om te trouwen verbaasde zijn familie.

La decisión de casarse de Tom sorprendió a su familia.

Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.

Ella perdió su dinero, su familia, sus amigos.

De dokter dachten dat hij dood was, maar vandaag is hij gezond en wel en hij heeft werk en een familie.

Los doctores pensaron que estaba muerto, pero hoy en día todavía está vivo y saludable, y tiene un trabajo y una familia.


Gerelateerd aan familie

gezin - huis - huisgezin - geslacht - pand