Vertaling van fuif

Inhoud:

Nederlands
Spaans
feest [o], festiviteit [v], fuif [v], partij [v] {zn.}
fiesta [v] (la ~)
We hebben een feest volgende zaterdag.
Tenemos una fiesta el próximo sábado.
Er zijn maar tien mensen opgedaagd voor het feest.
Solo diez personas se presentaron a la fiesta.
fuiven, vieren, feestvieren {ww.}
celebrar una fiesta


Gerelateerd aan fuif

feest - festiviteit - partij - fuiven - vieren - feestvieren