Vertaling van gij
Inhoud:
Nederlands
Spaans
u, je, jij, ge, gij, jullie, gijlieden, gijlui, gelui, jelui, jou {pers. vnw.}
usted
ustedes
tú
vosotras
vosotros
ustedes
tú
vosotras
vosotros
je, jij, ge, gij {pers. vnw.}
tú
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Spaans
Gelooft gij mij?
¿Me crees?
Weet gij waar hij woont?
¿Sabes dónde vive?
Hebt gij dit boek geschreven?
¿Ha escrito usted este libro?
Eet gij 's morgens thuis?
¿Desayunas en casa?
Hebt gij uw huiswerk al af?
¿Ya acabaste tu tarea?
Laat gij uw kinderen koffie drinken?
¿Dejas que tus niños beban café?
Wat doet gij in uw vrije tijd?
¿Qué hacen en su tiempo libre?
Hij is veel groter dan gij.
Él es mucho más alto que tú.
Ge hebt haar gezegd dat gij het werk al drie dagen geleden gedaan hadt.
Usted le dijo que había terminado el trabajo tres días atrás.