Vertaling van groot

Inhoud:

Nederlands
Spaans
groot {bn.}
grande
groot, volgroeid, volwassen {bn.}
adulto
breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd {bn.}
vasto
amplio
grootmaken {ww.}
abultar

ik maak groot
jij maakt groot

yo abulto
abultas
» meer vervoegingen van abultar

dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden {ww.}
educar

ik breng groot
jij brengt groot
hij/zij/het brengt groot

yo educo
educas
él/ella educa
» meer vervoegingen van educar



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Uw vader is groot.

Su padre es alto.

Dat huis is groot.

Aquella casa es grande.

Het boek is groot.

El libro es grande.

Het is te groot.

Es demasiado grande.

Dit is te groot.

Esto es demasiado grande.

Deze kamer is groot genoeg.

Este cuarto es lo suficientemente grande.

Hoe groot is uw familie?

¿Cómo de grande es su familia?

Mijn lepel is te groot!

¡Mi cuchara es demasiado grande!

Ik heb een groot gezin.

Tengo una familia numerosa.

John erfde een groot fortuin.

Juan heredó una gran fortuna.

Ze hebben een groot huis.

Tienen una casa grande.

Tom heeft een groot probleem.

Tom tiene un grave problema.

Het is allemaal één groot misverstand.

Todo es tan sólo un gran malentendido.

Hij is bekend als een groot schilder.

Él tiene fama de gran pintor.

Hij is zo groot als zijn vader.

Él es igual de alto que su padre.