Vertaling van klein
pequeño
Voorbeelden in zinsverband
Het is te klein.
Es muy pequeño.
Je bent niet zo klein als ik.
No eres tan bajo como yo.
Een ongeluk zit in een klein hoekje.
Los accidentes pasarán.
Ryoko heeft een schattig klein gezicht.
Ryoko tiene una carita linda.
Het meisje is klein voor haar leeftijd.
La niña es chica para su edad.
Een (klein) beetje
Un poquito
Toen ik nog klein was, geloofde ik in de kerstman.
Cuando yo era niño creía en Papá Noel.
Dit huis is te klein om in te wonen.
Esta casa es demasiado chica para vivir.
Vanuit de ruimte lijkt de Aarde tamelijk klein.
Desde el espacio la Tierra parece bastante pequeña.
Tom woont al in New York sinds hij klein was.
Tom ha vivido en Nueva York desde que era pequeño.
Je hebt een klein beetje koorts vandaag, is het niet?
Tienes un poco de fiebre hoy, ¿o no?
Plotseling voelde ze zich zeer klein, waardeloos en ellendig.
Ella de repente se sintió pequeña, despreciable y miserable.
Er was een klein beetje melk over in de fles.
Quedaba un poco de leche en la botella.
Die doos is te klein om al deze dingen te houden.
Esa caja es demasiado chica para contener todas estas cosas.
De gebouwen zijn klein vergeleken met de wolkenkrabbers in New York.
Los edificios son pequeños comparados con los rascacielos de Nueva York.