Vertaling van leren
wij leren
jullie leren
zij leren
nosotros ensenamos
vosotros ensenáis
ellos/ellas ensenan
» meer vervoegingen van ensenar
wij leren
jullie leren
zij leren
nosotros aprendemos
vosotros aprendéis
ellos/ellas aprenden
» meer vervoegingen van aprender
enseñar
wij leren
jullie leren
zij leren
nosotros instruimos
vosotros instruís
ellos/ellas instruyen
» meer vervoegingen van instruir
Voorbeelden in zinsverband
Ik wil graag Frans leren.
Quiero aprender francés.
Wij leren Engels op school.
Aprendemos inglés en la escuela.
Wanneer heb je leren zwemmen?
¿Cuándo aprendiste a nadar?
Hij heeft altijd Japans willen leren.
Él siempre quiso estudiar japonés.
Een vreemde taal leren is moeilijk.
Estudiar una lengua extranjera es difícil.
Niemand is te oud om te leren.
Nunca se es demasiado viejo para aprender.
We hebben nog veel te leren.
Tenemos mucho que aprender.
Ik hou niet van onregelmatige werkwoorden leren.
No me gusta aprender los verbos irregulares.
Blij u te leren kennen, Ken.
Encantado de conocerlo, Ken.
Hij wil graag wat Engelse liedjes leren.
Él quiere aprender algunas canciones inglesas.
Ik heb haar leren kennen in Londen.
La conocí en Londres.
Een vreemde taal leren is makkelijk.
Es fácil aprender un idioma extranjero.
Heb je hem pas leren kennen?
¿Acabas de conocerle?
Ge moet leren uit uw fouten.
Debes aprender de tus errores.
Tom heeft nog veel te leren.
Tom tiene mucho que aprender.